Frédéric Lordon: «De verbinding tussen jongeren en werknemers in loondienst is de ergste nachtmerrie van de machthebbers»

700
700
share this item

nuit-debout1

Le Comptoir door Kévin – de “onbeschofte” – Victoire, 4 april 2016

De geëngageerde intellectueel behoort beslist nog niet voorgoed tot het verleden, en de Franse econoom en filosoof Frédéric Lordon herinnert ons daar sinds enkele weken aan. De discipel van Karl Marx en Baruch Spinoza, zichtbaar geroerd door het enthousiasme dat in Frankrijk is gevolgd op het uitbrengen van de documentaire “Merci patron” van François Ruffin, is één van de voorgangers van de protestbeweging tegen de voorgestelde hervorming van het arbeidsrecht. We spraken hem tijdens de eerste “Nuit Debout” van 31 maart, na een gloedvolle toespraak op de Place de la République in Parijs.

lordonLe Comptoir: U bent één van die zeldzame intellectuelen die we aan de kant van de betogers zien. Is de rol van de intellectueel veranderd?

Frédéric Lordon: Ik weet niet of die is veranderd, of dat het de mensen zijn die men vroeger “intellectuelen” noemde, die zijn veranderd. Sinds eind jaren zeventig, de hoogtijdagen van de theorie en het intensieve politieke engagement, hebben academici zich weer in hun ivoren torens opgesloten. Ze zijn zelfs gaan denken dat deelnemen aan politieke debatten aanstootgevend is. Ik vind dat een enorme vergissing. Dat wil niet zeggen dat iedere vorm van politiek engagement zonder meer okay is. Terwijl ik dat zeg, ben ik me er heel goed van bewust dat men me ervan zou kunnen beschuldigen iets willekeurigs te doen, wat me overigens niet zoveel kan schelen. Maar je moet wel proberen die twee dingen samen te voegen: de theoretische arbeid en de aandacht voor wat zich in de samenleving afspeelt, en voor de bewegingen die daarin ontstaan. De afgelopen decennia zijn dat er toch niet al te veel geweest. Maar nu gebeurt daar iets, en ik denk dat het een politieke vergissing, en zelfs een intellectuele vergissing zou zijn me daar niet mee te bemoeien.

«Het is alsof de generaties over een tijdsspanne van vijftig jaar met elkaar praten.»

Kan deze beweging naar een nieuw mei ’68 leiden, of zijn we daar nog ver van verwijderd?

Ik weet het niet. Ik wantrouw in het algemeen het afdingen op het heden door naar het verleden te verwijzen. Maar ik moet zeggen dat ik gisteren (30 maart) niettemin zeer onder de indruk was van de ambiance, de gisting, het collectieve engagement en van de hele sfeer, vooral door wat er op de muren was geschreven. Het is alsof de generaties over een tijdsspanne van vijftig jaar met elkaar praten. Het was heel grappig.

Maar zoals Marx in De achttiende Brumaire van Lodewijk Napoleon heeft gezegd, herhaalt de geschiedenis zich altijd twee keer, “de eerste keer als een tragedie, en de tweede keer als een farce.” Het zou leuk zijn als we deze marxistische voorspelling kunnen logenstraffen – dat als de geschiedenis zich herhaalt, dit niet als farce zal zijn. Achteraf gezien zou je misschien zelfs kunnen zeggen dat het de eerste keer, in mei ’68, een farce is geweest, en dat het deze keer in ieder geval niet zo mag zijn. Maar nee, ik overdrijf een beetje als ik dat zeg. Je kunt mei ’68 niet eenvoudigweg dissen omdat een paar mafketels de geest en de bedoeling ervan in twijfel hebben getrokken. Mei ’68 heeft goed en wel bestaan en het was geen farce. Het is dat wat we moeten herontdekken.

U eist nu meer dan louter de intrekking van de arbeidswetgeving. Waar gaat het u nu om? Het aftreden van de regering? Het uittreden uit de euro? De afschaffing van de arbeid in loondienst?

mai68

In feite denk ik dat we moeten stoppen met de defensieve strijd. De afgelopen dertig jaar hebben we achterin het veld ballen teruggeslagen en hebben we als gekken heen en weer gerend, maar de bazen en de overheid hebben onophoudelijk nieuwe ballen in het spel gebracht. We moeten uit die defensieve rol zien te treden. Daarom hamer ik zo op het ophouden met het stellen van eisen. Natuurlijk moet er voor degenen met zeer concrete, zeer prozaïsche eisen, iets te winnen zijn, zodat hun strijd niet tevergeefs is geweest. Maar dat mag niet het einde zijn. We moeten nu politieke terreinwinst zien te boeken.

U wilt dat verschillende campagnes elkaar versterken: die bij Goodyear, de spoorwegen, Notre-Dame-des-Landes (de strijd tegen de aanleg van een vliegveld), enz. Hoe moet dat in zijn werk gaan, en met welke krachten? Welke bondgenootschappen moeten er worden gesloten?

Dat is precies wat de mensen die deze nachten organiseren proberen te bereiken. Hoe dat in zijn werk moet gaan? Dat weet ik niet: we proberen iets en we zien wel het oplevert.

Denkt u dat een betoging de machthebbers angst inboezemt?

Als ik het geweld zie waarmee het gezag de politie heeft afgestuurd op het amfitheater van Tolbiac (op de Sorbonne in Parijs) of waarmee de middelbare scholieren worden afgeranseld, begrijp ik dat dit een gezag is dat bezig is zijn greep op de gebeurtenissen te verliezen. Het is een gezag dat bang begint te zijn voor wat dan ook! Ik denk dat de verbinding tussen de jongeren en de arbeiders, en in bredere zin alle werkenden in loondienst, de ergste nachtmerrie van de machthebbers is. Dat is wat wij allemaal samen proberen te bewerkstelligen.

rc3aave-gc3a9nc3a9ral

Denkt u dat zich ook een verbinding tussen Parijs en de provincie zal gaan manifesteren?

Ik denk dat dat heel belangrijk is, zelfs van strategisch belang. Op het moment dat wij spreken worden er soortgelijke nachten georganiseerd in provinciesteden: in Rennes, in Lyon, in Toulouse, enz. Het is niet louter een Parijs fenomeen. Wat ons in beweging brengt, brengt de hele samenleving in beweging. Alle steden moeten een netwerk vormen. Ik weet niet waar dit alles toe zal leiden.

«Als ik opgewassen ben tegen de taak waar ik het nu over heb en ik de daad bij het woord weet te voegen, moet ik me ook met de voorsteden bezighouden.»

Maar is dat geen zinsbegoocheling? Is het niet zo dat deze beweging niet verder strekt dan de stadscentra, en de voorsteden onberoerd laat?

Ik denk dat een van de grote verbindingen die we moeten leggen, en waarschijnlijk de lastigste, zal moeten bestaan uit een hergroepering van de werknemers in loondienst en de jongeren, de gesegregeerde jongeren in de voorsteden. We hoeven onszelf niets wijs te maken: die jongeren zijn hier niet of bijna niet vertegenwoordigd. We hebben in 2005 een kans laten liggen. Er is toen iets gebeurd wat destijds onmiddellijk werd gediskwalificeerd, door het in de besmeurde categorie van het oproer te plaatsen, alsof het om een oprisping van blinde woede ging. Terwijl het een opstand was waarvan het diepgaand politieke karakter onmiskenbaar was. We hadden die opstand moeten politiseren. Dat is nu mosterd na de maaltijd, maar er zijn mensen die het met meer of minder succes hebben geprobeerd. Dat werk moeten we voortzetten. Als ik opgewassen ben tegen de taak waar ik het nu over heb en ik de daad bij het woord weet te voegen, moet ik me met de voorsteden bezighouden.

De politieke partijen zijn in diskrediet geraakt. De vakbonden zitten in grote meerderheid opgesloten in een vorm van reformisme. Welke organisatie kan deze beweging trekken?

Op dit moment is er geen organisatie. Alle institutionele vormen van de huidige politieke orde zijn volledig gediskwalificeerd. Het is een orde die bezig is te creperen, en het enige wat ons te doen staat is er voorgoed een einde aan te maken.

Maar de staat – versterkt door de noodtoestand –, de Europese Unie en de werkgevers zijn heel machtig. Hoe kan een handjevol betogers zoals wij, zonder organisatie, daar weerstand aan bieden?

Door te werken aan het verbreiden van deze beweging. Dat is het enige wat we kunnen doen. En we zullen wel zien wat onze werkelijke macht is, en of we resultaat kunnen boeken of zullen stranden. Het is heel goed mogelijk dat we zullen stranden, want dat is het lot dat de politieke activiteiten van minderheden treft. Maar als we niet slagen, is dat niet erg, want er zal altijd iets overblijven.

En dan hebben we het tenminste geprobeerd…

En we zullen het over tien jaar opnieuw proberen. Want dezelfde zaken zullen op hetzelfde blijven uitlopen, totdat er iets breekt.

Het gesprek kwam tot stand met behulp van Noé Roland en betogers.

Vertaling: Menno Grootveld

In this article